Biologie Glanzende houtmier (Lasius fuliginosus latreille).

Algemeen:
Mieren zijn sociaal levende, statenvormende insecten. Een mierenstaat bestaat veelal uit een groot aantal individuen. Binnen een dergelijke staat komen al naar gelang hun werkzaamheden sterk gespecialiseerde mieren voor. In het nest van de glanzende houtmier treft men bv. aan een of meerdere koninginnen, werksters in grote aantallen en in een bepaalde tijd van het jaar mannetjes. De koningin en de mannetjes zorgen voor de voortplanting en de werksters zorgen van het broed, het onderhoud van hert nest en in voorkomende gevallen de verdediging van het nest.

Uiterlijk:
De glanzende houtmier behoort tot de subfamilie Formicinae, de "schubmieren". Deze subfamilie draagt die naam omdat het gedeelte tussen het borststuk en het achterlijk, de achterlijfssteel, naar boven toe verbreed is tot een schub. Afgezien van verdere uiterlijke kenmerken valt de glanzende houtmier vooral op door de sterke aromatische geur. Vooral als men een mier tussen de vingers fijnwrijft, bemerkt men deze geur. De mannetjes en de koninginnetjes zijn gevleugeld.

Leefwijze:
De glanzende houtmier heeft zijn nesten voornamelijk in holle boomstammen en in de grond achtergebleven wortelstengels van loofbomen. Hierin maken de mieren een kartonachtig nest. Daartoe vermalen ze hout met honingdauw, een afscheidingsproduct van bladluizen.
In het nest komen schimmels voor. Wellicht dragen de schimmeldraden zelfs bij aan de stevigheid ervan.
In de maanden juni en juli vindt de "bruidsvlucht" plaats. Tijdens de vlucht bevruchten de mannetjes de koninginnen. Deze keren daarna terug naar het nest waar ze meewerken aan de uitbreiding of ze proberen een nieuw nest te stichten door zich in te dringen in het nest van de grote gele grondmier (Lasius umbratus Nijlander). Een nieuw nest kan ook ontstaan als een gedeelte van een bestaande kolonie zich afsplitst.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit honingdauw. De mieren "melken" hiertoe bladluizen d.w.z. ze bewaken en verzorgen deze teneinde zoveel mogelijk uitscheidingsproducten te bemachtigen. Verder voeden ze zich met andere insecten. Als een werkster een rijke voedselbron, bv. een bladluizenkolonie, heeft gevonden, maakt zij de overige werksters hierop attent, die dan langs de door de vindster aangegeven weg naar de bron gaan om hulp te bieden bij het binnenhalen van het gevonden voedsel. Zo ontstaan de zgn. mierenstraten. Deze geven dus de richting aan waarin men het mierennest moet zoeken, een waardevol gegeven bij de bestrijding.

Het nut van mieren:
Het bestrijden van mieren dient alleen plaats te vinden wanneer deze insecten in gebouwen werkelijk last veroorzaken. Over het algemeen wordt deze hinder overdreven; enkele rondlopende mieren doen geen kwaad en veroorzaken ook geen schade. Wanneer deze insecten echter een nest hebben gemaakt van waaruit ze steeds in aantallen een huis of een gebouw binnenkomen, kan een bestrijding uit hygiënisch oogpunt nodig zijn.
In tuinen, parken en bossen zijn mieren nuttig door het verdelgen.


Terug