Biologie Grasmier (Tetramorinm caespitum L.).

Subfamilie: myrmicinae, knoopmieren.
Familie: formicdae.
Orde: hymenoptera, vliesvleugelige.

Algemeen:
De grasmier leeft op zandgronden en heidegebieden.
Nesten vindt men in open hei onder stenen of in vermolmde stronken. Ook aardkoepels tussen gras en heidestruiken.
Mieren zijn sociaal levende, statenvormende insecten. Een mierenstaat bestaat veelal uit een groot aantal individuen. Binnen een dergelijke staat komen al naar gelang hun werkzaamheden sterk gespecialiseerde mieren voor.

Uiterlijk:
Werksters: 2, 3 - 4 mm , bruinzwart.
Koningin: 6 - 8 mm , zwart.
Mannetjes: 5 - 7 mm , zwartbruin/zwart. Zeer kleine kop; smaller dan thorax.

Ontwikkeling:
In het voorjaar. Dikke geel getinte peervormig larven in het nest, waaruit de geslachtsdieren voortkomen.

Leefwijze:
Bij uitzondering in woningen. Nestelen ook wel onder gebouwen en komen dan binnen.

Schade:
Bij binnenkomst erg hinderlijk in voedselvoorraden, keukens, e.d..

Nut:
Opruimen van schadelijke insecten.

Verspreiding:
Stichten nieuwe kolonies na bruidsvlucht in juli/september.


Terug