Algemeen: In ons land komen de oogstmijten over het algemeen voor op kalkhoudende klei en in gebieden met lössgrond; tevens dient daar een strooisellaag en/of een lage vegetatie aanwezig te zijn.
Deze beestjes zijn tevens bekend uit de meeste West-Europese landen.
Deze mijten behoren ook bij de groep der huidirriterende larven. Ze kunnen dus onder andere ook jeuk veroorzaken.
Uiterlijk: De imago is een rood-oranjeachtige mijt van ongeveer 0,3 mm lang.
De larve heeft een roodachtige kleur.
Leefwijze: De volwassen mijten leven in of op een bodem, bij voorkeur graslanden. De eitjes worden door de vrouwelijke mijt tussen de bodemdeeltjes gedeponeerd in de maand juni.
Hieruit ontstaan de 6-potige larve, die voor zijn verdere ontwikkeling een eiwitrijke maaltijd nodig hebben. Daartoe wordt een zoogdier of een vogel uitverkoren.
Vooral in de maanden juli en augustus en tot september/oktober zijn deze larven onder zonnige en droge weersomstandigheden actief. Als ze eenmaal voedsel opnemen dan verandert de 6 potige larf in een 8 potige nimf. De leefwijze van de nimf loopt gelijk aan de levenswijze van een volwassen mijt.
Voedsel: De larven eten weefselvocht of bloed van zoogdieren of vogels. Daarbij boren de monddelen zich in de huid. Daarbij wordt speeksel ingebracht. Door de inwerking van dit speeksel worden de weefsels vloeibaar en kunnen dan dus opgezogen worden.
Nimfen en imago's eten daarentegen kleine insecten en andere mijten.
Schade/overlast: Wanneer een larve dus weefsel of bloed opgezogen heeft kan er rond die plek een niet ernstige huidirritatie ontstaan. Ongeveer 6 tot 12 uur na het verblijf in een gebied met oogstmijten treedt uitslag op met een onbedwingbare jeuk. Dit vooral op plaatsen waar de kleding drukt.
Het is echter wel zo dat de huidirritatie (trombidiose) per individu sterk kan verschillen.
Deze trombidiose treedt in ons land op in de periode van half juli tot half oktober.
Verspreiding: Ze kunnen verspreid worden via allerlei soorten vogels, zoogdieren, zoals muizen, woelmuizen, vossen, konijnen, hazen, honden, geiten en paarden.
Om de oogstmijten op te sporen zoekt men bij voorkeur op onbehaarde delen van het lichaam, daar waar de huid dun is. Dit kan bijvoorbeeld tussen de tenen van een hond zijn. Op de mens is het diertje echter vrijwel niet aan te tonen.