De bovenzijde van deze zeer platte langsprietkever (lengte: 8 tot 16 mm ) is gewoonlijk glimmend blauw of paars en soms groen. In het laatste geval zou je hem aan kunnen zien voor de verwante soort Calldium aeneum. Het achterste gedeelte van moet dan de doorslag geven: bij de Callidium aeneum is dat geribd.
De Callidium violaceum leeft in naaldbossen in het laagland, de heuvels en de vergen, tot de boomgrens, die in elk massief weer op een andere hoogte ligt. De imago's kun je in de lente en de zomer op stammen, takken en houtstapels zien zitten; op bloemen komen ze niet af. Soms treft men ze op de zolder van een boerderij aan, want in de kapbalken kunnen zich verscheidene generaties ontwikkelen. Op plaatsen waar hout opgeslagen licht, duiken ze ook op.
De 1,6 mm lange eieren worden in het hout van dode naaldbomen (sparren gewoonlijk) gelegd, maar de larven komen ook wel tot ontwikkeling in het hout van loofbomen als de haagbeuk, de beuk, de eik en de wilg. De larven van deze soort leven in dood naaldhout waar zich de schors nog omheen bevindt. Ze leven onder de schors en graven gangen in de buitenste houtlaag; trek je een stuk schors los, dan kun je aan de binnenkant daarvan de 'mijnen' zien lopen. Het is niet te verwachten, dat in ontschorst hout een uitbreiding van de aantasting kan plaatshebben, aangezien de uit het hout komende kevers uitsluitend eieren afzetten op hout waar zich de schors nog omheen bevindt. Voordat ze gaan verpoppen dringen de larven dieper het hout in. Hun ontwikkeling duurt minstens twee jaar.
Vroeger werd de Callidium violaceum als een schadelijk insect beschouwd, maar tegenwoordig speelt hij geen belangrijke rol meer. Hij komt voor in een groot deel van het palearctische en nearctische gebied.
Wanneer in een gebouw hout is verwerkt met schors, is de beste bestrijding het ontschorsen van het hout. Ook kunnen deze boktorren komen uit opgeslagen hout dan gebruikt wordt voor de open haard. Dit hout kan men beter buiten opslaan.