Algemeen: Zoals de Nederlandse naam van deze boktorsoort reeds aangeeft, komen er van de veranderlijke boktor verschillende kleurvariëteiten voor. Meestal treft men exemplaren aan met geelbruine dekschilden, maar ook blauwzwarte dekschilden komen voor.
Uiterlijk en leefwijze: Boktorren zijn langwerpig en slank van vorm. De antennen zijn lang en draadvormig en staan vaak naar achteren gericht, wat de indruk geeft van de "horens"; vandaar ook de naam "bok"tor. De poten zijn goed ontwikkeld. De lengte van de veranderlijke boktor varieert nogal, nl. van 8 - 14mm; dit hangt nauw samen met de meer of minder gunstige omstandigheden, waaronder de larve zich heeft ontwikkeld. De larven leven in dood hout van loofbomen, vooral van eiken, beuken en berken. De kevers leggen hun eieren in schorsspleten. De larven dringen het hout in en vreten gangen die eerst vrij dicht onder de schors liggen. Later maken de volgroeide larven een verpoppingsholte die diep in het hout is gelegen. Wanneer het aangetaste hout wordt verwerkt in huizen en gebouwen gaat de ontwikkeling van de larven in het hout gewoon door. De gehele ontwikkelingstijd van ei tot kever neemt ongeveer 2 jaar in beslag. Uit dit verwerkte hout of veel vaker nog uit binnenshuis opgeslagen hout dat bestemd is om te worden gebruikt in de openhaard, komen de kevers naar verloop van tijd te voorschijn. Ze kunnen ook vliegend worden waargenomen.
Schade: Schade van enige betekenis wordt niet aangericht. De kevers zetten alleen eieren af op hout waar de schors zich nog om heen bevindt. Het hout in huis loop dus geen gevaar voor een aantasting van deze boktorren. Op plaatsen waar ongeschild hout langdurig buiten wordt opgeslagen, zal dit hout dikwijls worden aangetast.