Algemeen: Vleermuizen zijn de enige vliegende zoogdieren. In Nederland komen ongeveer 17 soorten voor. Circa 5 ervan komen , althans voor een deel van het jaar, ook in gebouwen voor.
Ze kunnen niet graven, dus voor hun schuilplaatsen zijn ze aangewezen op hun bestaande holen.
Door een grote beweeglijkheid van het skelet kunnen de kleinste soorten door zeer nauwe kieren tot 1 cm . kruipen.
Alle Europese vleermuissoorten zijn insecteneters. Alle soorten die in Nederland voorkomen zijn beschermde diersoorten.
Uiterlijk: Bij vleermuizen zit er tussen de voorste ledematen, de romp, de achterste ledematen en de staart een vlieghuid. De vlieghuid bestaat uit levend weefsel en herstelt vrij snel na beschadiging.
Verder hebben vleermuizen een kenmerkend insectenetergebit.
Ontwikkeling: De draagtijd van de wijfjes duurt 2 tot 3 maanden. Ze krijgen jaarlijks 1 worp. Die worp bestaat in de meeste gevallen uit 1 jong, maar in uitzonderlijke gevallen kunnen het er meer zijn. Na ongeveer 6 weken zijn ze zelfstandig. De paring vindt meestal in het najaar plaats. De vrouwtjes van de dwergvleermuis kunnen al na 3 maanden geslachtsrijp zijn. Het embryo komt pas in het voorjaar tot ontwikkeling.
Leefwijze: De dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus Schreber) is in gebouwen de meest voorkomende soort. De vrouwtjes houden zich op in zogenaamde kraamkamers/-kolonies, waar de jongen worden geboren. de mannetjes leven solitair. Vleermuizen, welke soort dan ook, zijn altijd nachtactieve dieren. Ze vliegen uit rond zonsondergang en vliegen weer in rond zonsopgang. Het tijdstip verschilt per soort.
De meeste soorten kennen gescheiden zomer- en winterverblijfplaatsen, die via trekroutes bereikt worden.
Voedsel: Het voedsel voor de vleermuizen bestaat uit insecten die in de lucht worden gevangen. De prooigrootte is afhankelijk van de soort.
Schuilplaatsen: Ze houden zich verborgen onder dakpannen, op zolders en vlieringen, in spouwmuren. Dwergvleermuizen bevinden zich in de winter regelmatig in dezelfde gebouwen als waar de kraamkolonie zich gevestigd heeft.
Sporen: De uitwerpselen lijken op die van de huismuis. Ze zijn zwart, 3 tot 8 mm . lang en 1 tot 3 mm . dik, ze hebben verder vrij spitse uiteinden. Het enige verschil is dat deze uitwerpselen veel insectenresten (chitineuze delen) bevatten.
Schade/overlast: Vleermuizen kunnen soms geluidhinder bij het uit- en invliegen van de schuilplaatsen veroorzaken. Dit kan extra storend zijn als die schuilplaatsen zich in de buurt van slaapvertrekken bevinden.
Nut: Het zijn insecteneters en dat is een zeer nuttige functie.