Biologie Wantsen
Stofwants (Reduvius personatus L.).
Vuurwants (Phyrrhocoris apterus L.).
Berkenwants (Kleidocerys resedae Panzer).

Algemeen:
Karakteristiek voor de wantsen zijn de voorvleugels. Het voorste deel ervan is dik en leerachtig en het achterste gedeelte bestaat uit een membraan, dat is een soort vlies.

Uiterlijk:
Ze hebben een kleine kop en de monddelen zijn stekend en zuigend. Ze hebben verder vrij lange antennen van wel 4 à 5 leden.
De stofwants is glanzend bruin van kleur. De zuigsnuit is kort en stevig en indien hij niet gebruikt wordt is hij onder het lichaam geborgen. Hij is ongeveer 16 tot 17 mm . lang.
De vuurwants is een opvallend rood met zwart beestje en is 10 mm. lang.
De berkenwants heeft een bonte roodbruine tekening en is 4 à 5 mm. lang.

Leefwijze:
De stofwants komen vaak voor in stoffige hoeken op zolders. De larven omhullen zich met stofdeeltjes, zodat ze soms nauwelijks te herkennen zijn. Zowel de larven als de volwassen stofwants voeden zich met allerlei kleine insecten. De volwassen stofmijten worden 's avonds door licht aan getrokken.
De vuurwants leeft zowel van plantaardig voedsel van allerlei aard als van roof op kleine insecten zoals bladluizen.
Deze komt dikwijls voor op of in de nabijheid van lindebomen.
De berkenwants voedt zich met plantaardig materiaal. In de zomer komt hij voor op de katjes van de berk, els en ook wel op de rododendron. Ze overwinteren graag op fijnsparren en andere coniferen.

Schade/overlast:
De schade door deze dieren is te verwaarlozen, heel af en toe zijn ze hinderlijk. Het enige wat wel hinderlijk kan zijn is dat de stofwants pijnlijk kan steken.


Terug